Search

Korte geschiedenis van het torenuurwerk
Omstreeks 1275 na Christus moet het mechanische uurwerk zijn uitgevonden. Helaas is niet bekend door wie en waar. Men gaat er echter van uit dat dit heeft plaatsgevonden in een kloostergemeenschap. Immers kloosters waren in die tijd centra van wetenschap en techniek en men was in die gemeenschappen verplicht nauwkeurig de tijd te meten voor het vaststellen van de tijden waarin de koorgebeden moesten worden verricht. In dezelfde periode, de tweede helft van de 13de eeuw, zien wij in Europa een sterke opkomst van de steden en, daarmee samenhangend, de opkomst van een invloedrijke burgerij. Torenuurwerken gingen vanaf die tijd, aanvankelijk alleen in de grote steden, het maatschappelijk leven beheersen. Zij gaven door middel van slagen op een klok, wijzerplaten bestonden nog niet, het hele of halve uur aan. Daarnaast werden deze uurslagen, soms in combinatie met een luidklok, aangewend voor het aangeven van de tijdstippen van het openen en sluiten van de stadspoorten, begin- en eindtijden van markten, begin en einde werktijd, het ‘s avonds afdekken van de vuren enzovoort.
Naast het grote maatschappelijk belang van torenuurwerken, heeft aan de verspreiding daarvan zeker bijgedragen dat het hebben van een torenuurwerk voor de betreffende stad statusverhogend was. Deze status werd nog vergroot door aan torenuurwerken astronomische aanwijzingen, speelwerken en bewegende figuren toe te voegen.
Nederland volgde de Europese ontwikkelingen. Het verschijnen van torenuurwerken in dorpskernen werd pas algemeen toen ook op het platteland de noodzaak ontstond het dagelijkse leven te gaan ordenen. Het was meestal de kerkelijke gemeenschap die daartoe het initiatief nam.
Tot ca. 1830 had elke stad of dorp zijn eigen lokale tijd: het was 12 uur in de middag als de zon ter plaatse op haar hoogste punt stond. Hierdoor ontstond tussen Oost- en West-Nederland een tijdsverschil van ruim 10 minuten. Na 1830 ging een aantal steden over op de lokale middelbare zonnetijd. Niet de tijd die een zonnewijzer van dag tot dag aangaf, maar de tijd van een goed uurwerk, waardoor alle dagen dezelfde duur kregen. Het tijdsverschil tussen de verschillende plaatsen bleef echter gehandhaafd.
Aanvankelijk werd niemand gehinderd door het tijdsverschil tussen de verschillende steden en dorpen, omdat men zich toentertijd niet snel genoeg kon verplaatsen om hier last van te ondervinden.
Vanaf omstreeks 1850 werden, centraal, tijdssignalen per telegraaf doorgegeven. Het landelijke spoorwegennet noopte tot het vaststellen van dezelfde tijd voor het gehele land. In ons land werd in 1909 de Middelbare Zonnetijd van Amsterdam als wettelijke tijd ingevoerd.
De Duitse bezetting dwong ons in 1940 de Midden-Europese Tijd – dat was ook de tijd van Berlijn – te gaan hanteren. Na de Tweede Wereldoorlog heeft men in West-Europa deze tijd gehandhaafd. Groot-Brittannië hanteert de West-Europese Tijd.

Copyright 2017 Stichting tot Behoud van het Torenuurwerk Gebruiksovereenkomst Privacybeleid
Back To Top